Archief

Format forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek

Onderzoekspartner: Centre de Recherche en Défense Sociale (CRDS)

Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de Minister van Volksgezondheid Maggie De Block.

Tot voor kort waren er geen richtlijnen rond het opstellen van een (psychiatrisch) deskundigenonderzoek in België. Hierin kwam een evolutie met de nieuwe interneringswet, waarbij dergelijk onderzoek verplicht gesteld werd en strikter geregeld werd teneinde de kwaliteit te verbeteren. Zo tracht de nieuwe wet de kwaliteit en eenvormigheid van het deskundigenonderzoek te garanderen via (onder andere) een verplicht te gebruiken format. België is hiermee vrij uniek. Om de nodige uitvoeringsbesluiten te kunnen opstellen, werd de opdracht gegeven om dit nieuwe, verplichte verslag inhoudelijk vorm te geven. Omdat er slechts weinig wetenschappelijke grondslag beschikbaar was om dit te doen, werd gekozen voor de Delphi-methode als onderzoeksmethodiek. Het Koninklijk besluit van 25 september 2018 uitvoering van artikel 5, § 3, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering is inmiddels in werking getreden.

Nationale dataset met CRDS

Onderzoekspartner: Centre de Recherche en Défense Sociale (CRDS)

Om een completer beeld te krijgen van de (medium en high security) geïnterneerdenpopulatie in België hebben werden gegevens van twee onderzoekscentra samengevoegd: Centre de Recherche en Défense Sociale voor gegevens van de Waalse medium tot high security geïnterneerden en KeFor voor de gegevens van de Vlaamse medium security patiënten. Zo hebben we het psychiatrisch profiel van de geïnterneerden in België onderzocht, alsook het risicoprofiel van de patiënten. Met risicoprofiel bedoelen we dat er gekeken wordt naar het risico op het plegen van nieuwe feiten. Dat risico wordt gemeten door middel van risicotaxatie-instrumenten. De studie toonde aan dat de Vlaamse medium security geïnterneerden een hoger risicoprofiel hadden dan de Waalse geïnterneerden. Dit is verrassend gezien de patiënten in de Waalse dataset waren opgenomen in een high security instelling.  Er was tevens een verschil in het type van feiten. Het merendeel van de Vlaamse patiënten was geïnterneerd vanwege geweldsfeiten terwijl het merendeel van de Waalse patiënten geïnterneerd was voor seksuele feiten. Waalse patiënten verbleven ook langer in de instelling dan Vlaamse geïnterneerden.

Recidive & Risicotaxatie: Analyse van de forensische dataset ‘medium security projecten’

De drie Vlaamse forensische medium security behandelafdelingen (Bierbeek, Rekem en Zelzate) noteerden tussen 2001 – 2010 gegevens over geïnterneerden die zich aanbieden voor opname (N = 531). Dit zijn demografische kenmerken, alsook diagnostische gegevens in de vorm van de Psychopathy Checklist (PCL-R), Historical, Clinical & Risk Management-20 (HCR-20), intelligentiebepaling en een klinisch bekomen DSM-IV diagnose. Deze dataset wordt door KeFor aangevuld en geanalyseerd in functie van risicotaxatie en recidivemeting.

Vanwege de grote hoeveelheid aan data, is het project opgesplitst in een aantal deelonderzoeken:

  • Incidenten tijdens medium security behandeling
  • Herval na medium security behandeling
  • Intelligence is in the Eye of the Beholder: Investigating Stability of Repeated Measurements in Forensic Psychiatry
  • PCL-R field validity: gevangenis en ziekenhuis settings
  • Field validity HCR-20
  • Violence Risk Appraisal Guide binnen de Vlaamse medium security instellingen
  • Geïnterneerden met een hoge mate van psychopathie in medium security behandeling
  • Geïnterneerden met een artikel 21 WBM

Onrechtstreekse meting van seksuele preferentie en classificatie bij pedoseksuelen

Daders met een seksuele preferentie naar kinderen toe vormen een groot  risico wat betreft recidive. Die preferentie kan op rechtstreekse manier bevraagd worden, maar om misleiding tegen te gaan werden velerlei indirecte methoden ontwikkeld. Omwille van meer eenduidige resultaten wordt geopteerd voor een keuze-reactietijd opstelling. Dit protocol biedt een voordeel ten aanzien van eerdere onderzoeken, in die zin dat het vertrekt vanuit een strikte omschrijving van de onderzoeksgroep en tevens een maat voor risicotaxatie voorziet.

Intelligentiemetingen in forensische populaties: unidimensionele versus multidimensionele aanpak.

Onderzoekspartner: Thomas More Hogeschool

Decennialang heeft men het cognitief vermogen unidimensioneel benaderd, waarbij het multidimensionele karakter van ons cognitief functioneren echter tekort wordt gedaan. Het gebruik van een multidimensionele testbatterij laat toe een brede waaier van cognitieve vaardigheden gedetailleerd in kaart te brengen. Deze verfijnde diagnostiek kan leiden tot een correctere inschatting van cognitieve vaardigheden bij delinquenten en vervolgens tot een op maat gesneden behandelaanbod (i.c. het responsiviteitsprincipe). Onderzoek naar de mogelijkheden van een multidimensionele benadering van cognitie is reeds uitgevoerd binnen studenten- en klinische populaties, maar nog niet binnen forensische populaties. Bij dit pilootonderzoek zullen studenten van de Thomas More Hogeschool in Antwerpen een dergelijke diagnostische benadering toepassen bij normaal begaafde geïnterneerden en geïnterneerden met een verstandelijke beperking. Hierbij zal gewerkt worden vanuit het meest recente en omvangrijkste theoretisch kader aangaande cognitie, met name het Cattel-Horn-Caroll (CHC) model.

Oplossingsgericht werken in een forensische context

Onderzoekspartner: Karel de Grote Hogeschool

Dit project zoomt in op de mogelijkheden en beperkingen van de oplossingsgerichte benadering van forensische cliënten met een agressieproblematiek. Uit onderzoek en vanuit het werkveld klinkt een luide vraag tot uitbreiding en heroriëntering van het bestaande aanbod van hulp- en dienstverlening aan (ex-)gedetineerden, onder meer in het kader van de aanpak van problemen met agressie. Samen met de Karel de Grote-Hogeschool en twee werkveldpartners, vzw Touché en VGGZ Hasselt, tracht KeFor de effecten te meten van een oplossingsgerichte benadering bij cliënten met een agressieproblematiek.

Experience sampling in de forensische psychiatrie: meten van ervaringen in het dagelijkse leven

Experience Sampling Methode (ESM) is een gestructureerde dagboektechniek waarmee men gedachten, stemmingen, psychiatrische symptomen en context kan onderzoeken in het dagelijkse leven. Experience sampling betekent letterlijk een steekproef nemen van ervaringen door mensen op willekeurige momenten te vragen naar hun gevoelens. Binnen de psychiatrie vormt ESM een waardevolle techniek die zeer gedetailleerde beschrijvingen biedt van het dagelijks leven van psychiatrische patiënten en de variabiliteit van de symptomen doorheen de tijd en in verschillende situaties. De betrouwbaarheid en de validiteit van deze methode is aangetoond. Emotionele mechanismen in het dagelijks leven zijn belangrijke aspecten van alle psychiatrische stoornissen. Het onderzoeken van dynamische emotionele patronen in het dagelijks leven kan leiden tot een beter begrip van het beloop van deze psychiatrische stoornissen. Reacties in het dagelijks leven zijn verschillend van reacties in kunstmatige situaties (bijvoorbeeld in laboratorium) en grote stressoren activeren andere coping strategieën dan kleine dagdagelijkse stressoren. Omdat deze subtiele variaties moeilijk te meten zijn met traditionele instrumenten kan ESM onderzoek een fundamentele toevoeging zijn bij het reeds bestaande cross-sectioneel onderzoek.

Risicotaxatie bij plegers met een verstandelijke beperking

Instrumenten die het risico op toekomstig (seksueel) gewelddadig gedrag bij gekende delinquenten inschatten, zijn herhaaldelijk succesvol getest op betrouwbaarheid en validiteit. De hoeveelheid studies bij plegers met een verstandelijke beperking is echter aanzienlijk schaarser. In de huidige studie werd de voorspellende waarde van drie (risicotaxatie-)instrumenten getest bij deze doelgroep: (een eigen vertaling van) de Violence Risk Appraisal Guide (VRAG), de Psychopathy Checklist-Revised (PCL-R) en de Psychopathy Checklist: Screening Version (PCL:SV). Concreet werd nagegaan worden in hoeverre de scores op deze instrumenten agressie op de afdeling voorspelden.

Exploratief onderzoek naar de competenties van dé forensische hulpverlener

De forensische psychiatrie verschilt in een aantal cruciale aspecten van de reguliere psychiatrische hulpverlening. Forensische hulpverleners worden namelijk geconfronteerd met complexe problemen. Enerzijds hebben zij te maken met een specifieke groep patiënten in al zijn kenmerken. Het opbouwen van een vertrouwensrelatie met deze personen vergt heel wat tijd en moeite. De motivatie om in behandeling te gaan – vaak gering - is een cruciaal aspect en dan ook dikwijls een eerste stap in de behandeling. Anderzijds moeten hulpverleners ook rekening houden met het gerechtelijk apparaat dat de tenuitvoerlegging van de maatregel mee opvolgt. Adviezen worden niet altijd opgevolgd wat soms een vertraging van het therapeutisch proces en daarmee gepaard gaande frustraties kan teweegbrengen. Dit alles maakt dat voor de forensische hulpverleners andere competenties en eigenschappen vereist zijn. Bovendien is de mentale belasting niet gering, waardoor goede ondersteuning van de medewerkers essentieel is. Op basis van focusgroepen met forensisch psychiatrische patiënten en een Delphi studie werd op zoek gegaan naar deze competenties en eigenschappen. Dé ideale forensische hulpverlener bestaat vermoedelijk niet, maar het onderzoek bracht kenmerken aan het licht die bijdragen bij tot het succesvol functioneren van hulpverleners binnen de forensische hulpverlening.